Die piepjonge vrijheid van meningsuiting

Het was een indrukwekkende demonstratie van eensgezindheid: in veel Nederlandse steden liepen op 8 januari van vorig jaar mensen door de straten om hun solidariteit te betuigen met de redacteuren van Charlie Hebdo in Parijs. Die hadden hun leven gegeven, die waren slachtoffer van een aanval op de vrijheid van meningsuiting en duizenden Nederlanders toonden zich solidair. Indrukwekkend inderdaad. Die rotsvaste overtuiging dat iedereen voor zijn eigen mening moet kunnen uitkomen, dat alles gezegd en gedrukt moet kunnen worden, althans binnen de grenzen van de wet – het lijkt alsof die overtuiging ons Nederlanders in de genen zit.

Maar dat is niet zo.

We komen, wat dat betreft, van ver, van heel ver.

Eigenlijk blijkt uit onze geschiedenis dat censuur ons veel vertrouwder is dan die prachtige vrijheid waar we massaal onze warme woningen voor uitkwamen, op 8 januari, vorig jaar.

Trouwens, de afgelopen weken kregen we in Nederland weer een klassieke inbreuk op onze geroemde persvrijheid te verwerken: een noodverordening in de Noordoostpolder, waardoor journalisten Luttelgeest niet in mochten om hun werk te doen, een inspraakavond over een azc verslaan. Het klinkt als een woordgrap van een flauwe cabaretier – journalisten weghouden uit Luttelgeest. De burgemeester had er zelfs een noodverordening voor uitgevaardigd, om journalisten op een afstand van vijf kilometer te kunnen houden van de plek waar vergaderd werd. De oude Nederlandse gewoonte om de openbaarheid te ontwijken stak de kop weer op – onuitroeibaar als onkruid. Straks meer daarover.

Maar ik heb een blijmoedige natuur meegekregen, laten we daarom eerst eens terug gaan naar wat volgens mij het mooiste wapenfeit in de strijd voor vrijheid van meningsuiting in onze geschiedenis is geweest. Een heuse heldendaad, in dienst van het vrije woord en het gebeurde hier niet ver vandaan. Ik neem u mee terug naar april 1944. Nederland is vier jaar bezet, de woede over de naziterreur neemt steeds meer toe, en het verlangen om weer baas in eigen huis te zijn evenzeer. Op 12 april vertrekken zes verzetsmensen vanuit Veenendaal op de fiets in westelijke richting, over de Lekdijk, via Vreeswijk, in de richting van Schoonhoven. Ze staan onder leiding van Dirk van der Voort, een overtuigd communist, van het onverzettelijke soort. Ze worden wel de “Arenden van de Gelderse Vallei” genoemd – ze hebben de beschikking over vuurwapens en ze hebben zich gespecialiseerd in overvallen op distributiekantoren, waar ze bonkaarten en andere papieren buitmaken om daarmee de hulp aan onderduikers zoveel mogelijk te ondersteunen.

Maar Dirk van der Voort vindt dat niet genoeg. Hij ergert zich groen en geel aan de Duitse propaganda, en vindt het effect van de verzetskranten, en ook van het communistische blad De Waarheid waaraan hij zelf meewerkt, onvoldoende. Dirk en zijn vrienden willen op een meer spectaculaire manier hun verzetsboodschap onder grote groepen mensen brengen. Ze willen in een ECHTE krant publiceren.

Eerst hadden ze een plan beraamd om in Arnhem de krant van de gelijkgeschakelde Arbeiderspers te kapen. Maar Dirk kwam uit de buurt, uit Velp, en was bang dat hij herkend zou worden.

Het oog van de verzetsgroep valt vervolgens op de Schoonhovense Courant, waar een van de leden goede contacten heeft. Daar drukken ze 12.000 kranten per keer – een mooi aantal, daar willen de mannen van Dirk van der Voort hun idee ten uitvoer brengen. Hun plan is uitgesproken gewaagd: ze willen de zetterij van de krant overvallen, de zetters en de drukkers dwingen de tekst van de normale krant deels te vervangen door artikelen in de ware verzetsgeest en vervolgens die krant laten drukken en verspreiden.

De voorbereiding vindt plaats op een bevriend adres in Krimpen aan de Lek. Daar strijken ze op neer, daar kunnen ze over een typemachine beschikken. Ze richten er een soort redactie in, voor anderhalve dag. Eén voor één tikken ze daar hun artikelen. George schrijft over de gehate Landwacht, Ben schrijft het stuk “Waar blijft de invasie?”, en Dirk van der Voort, die dag redactiechef, schrijft het artikel “10 mei 1940” dat begint met de fraaie zin: “Nog een paar weken en het zal vier jaar geleden zijn dat Hitlers benden, geholpen door de verraderskliek van Mussert, Nederland binnenvielen.”

De volgende morgen, vrijdag 14 april, fietsen de zes mannen, met hun versgetypte kopij, naar Schoonhoven, waar ze om negen uur het gebouw van de krant betreden. De mannen zeggen dat ze van de Perscontrole zijn. Ze vragen naar hoofdredacteur Willy Kerremans, maar die is afwezig. Dan komen ze erachter dat de zetterij en de drukkerij in een gebouw in een andere straat zitten. Vier man gaan daarheen en leggen de vijftien man personeel uit dat alles vandaag anders is: ze moeten het bestaande zetsel vervangen door nieuwe kopij. Dat gaat allemaal niet vanzelf, de verzetslieden worden niet vertrouwd, ze trekken zelfs het pistool om het grafisch personeel te overtuigen mee te werken. Ze zorgen wel voor eten, wat op hoge prijs wordt gesteld, en ze krijgen het uiteindelijk voor elkaar. De Schoonhovensche Courant telt door papierschaarste in die periode maar twee pagina’s. De voorpagina blijft intact, maar de achterpagina komt vol te staan met communistisch getinte verzetsteksten, en met twee gedichten. Een is er overgenomen uit het Geuzenliedboek, het verhaal van een moeder wier zoon gefusilleerd werd en die oproept tot de strijd. Een van de coupletten luidt: 

“Schuw felle pijn, noch wrang verdriet.

Bezie de dingen in het groot.

Zovelen boetten met de dood:

Waarom zij wel, waarom gij niet?

Uiteindelijk rolt de krant van de pers. De bezorgauto die de kranten naar de omliggende dorpen moet vervoeren wordt volgeladen. De gasgeneratoren weigeren, maar uiteindelijk krijgen ze de auto aan de praat, en chauffeur Gerrit Steehouwer rijdt zijn normale ronde. De bezorgers die het stadje Schoonhoven bedienen, worden nog even opgehouden: het zou fataal zijn als de bezetter zou merken wat er met de krant aan de hand is, terwijl de verzetsmensen nog in Schoonhoven zijn.

Het lukt allemaal wonderwel: de verzetsmensen fietsen weg, gaan met de pont over de Lek en rijden terug naar het oosten. In hun angst ontdekt te worden fietsen ze door tot Vreeswijk. Daar rusten ze even uit in het gras en bekijken ze met voldoening de meegenomen exemplaren, die op hetzelfde moment in 12.000voud in de bus bij de lezers in Schoonhoven en omgeving liggen. Die lezers moeten verbijsterd zijn geweest: de achterkant van de krant vol met anti-Duitse teksten. Het verzet heeft zich een weg naar buiten gebaand, de illegaliteit in een legale krant.

De nasleep is goed verlopen. Er zijn weliswaar vijf personeelsleden van de Schoonhovensche Courant opgepakt en vastgezet, maar uiteindelijk werd wel duidelijk dat ze geen rol hadden gespeeld in de overval op de krant, ze werden weer vrijgelaten.

Weken later gaat Dirk van der Voort nog eens naar Krimpen. Hij hoort er in geuren en kleuren het verhaal dat een groep illegalen de Schoonhovense Courant had overvallen en de inhoud had veranderd. En dat die exemplaren nu aan liefhebbers werden verkocht, soms voor heel veel geld – opbrengst voor hulp aan onderduikers.

Het is een mooi verhaal, het is zelfs een paar weken later via Radio Oranje aan heel luisterend Nederland verteld.

Maar het is wél een grote uitzondering. De regel is namelijk dat de Nederlander zich doorgaans gemakkelijk neerlegt bij censuur, en dat al eeuwen lang.

Censuur is van alle tijden. Toen rond 1450 Johannes Gensfleisch zur Laden zum Gutenberg de boekdrukkunst had uitgevonden, reageerde de aartsbisschop van het naburige Mainz razendsnel. Hij vaardigde het gebod uit dat alle te drukken teksten eerst aan hem moesten worden voorgelegd. Niet, zo schreef Jan Blokker in 2010, om ze te lezen, maar om ze te kunnen verbieden.

En zo is het eigenlijk altijd gegaan. Machthebbers en dus ook overheden zijn altijd als de dood geweest voor onafhankelijke media. Ook in Nederland dat tegenwoordig zo massaal pal staat voor de vrijheid van meningsuiting. Ik beperk me voor het gemak tot de twintigste eeuw, om te beginnen de jaren dertig. De radio komt dan in steeds meer huishoudens, wordt steeds populairder en daardoor ook steeds belangrijker. Het Nederlandse bestel telt vijf omroepen, de algemene AVRO, liberaal van toon, de protestants-christelijke NCRV, de rooms-katholieke KRO, de sociaal-democratische VARA en de vrijzinnig protestantse VPRO, die overigens veel kleiner is dan de andere. Ten behoeve van die radio is er een Radio-Omroep-Controle-Commissie opgericht, die toezicht moet houden op wat er allemaal wordt verkondigd. Toezicht – dat betekent in dit geval: preventief toezicht, de teksten van uitzendingen en toespraken moeten tevoren de toestemming hebben van de Controle-Commissie. Voorzitter daarvan is de Friese jurist Pieter Sjoerds Gerbrandy, die in de oorlogsjaren zal uitgroeien tot de onverzettelijke minister-president in Londen. Onder Gerbrandy, geen socialistenvriend, is het vooral de VARA die eraan moet geloven. Volgens Gerbrandy-biograaf Cees Fasseur zijn er in 1933 liefst 188 VARA-uitzendingen verboden dan wel gecensureerd wegens uitlatingen die gezagsondermijnend werden geacht. De omroep mocht bijvoorbeeld haar uitzendingen niet meer afsluiten met de Internationale, en moest op zoek naar een ander, minder staatsgevaarlijk lied. Vijf jaar later, in 1938 waren er nog 38 VARA-uitzendingen waar de schaar in werd gezet.

Een daarvan was het opvoedkundig vragenhalfuurtje van mejuffrouw H. van der Heide. Daarin kwam geboortebeperking ter sprake, een onderwerp dat door de censors van de radio onder leiding van Gerbrandy als “volkskracht ondermijnend” werd aangemerkt. Het zou bovendien een ongewenste polemiek kunnen uitlokken. De controleurs besloten de rubriek niet voor uitzending toe te laten.

Censuur hanteerde de Nederlandse koloniale overheid ook in de overzeese gebiedsdelen. Nederland had bijvoorbeeld de gewoonte om Indonesiërs die zich beijverden voor meer rechten voor de gewone Javaan of Sumatraan zonder vorm van proces in de cel te zetten. Of eigenlijk: in het concentratiekamp op te sluiten. Dat klinkt u misschien wat overdreven in de oren, Nederlandse concentratiekampen in de jaren twintig en dertig, maar dat is het echt niet. Voor Indonesische nationalisten was het kamp Boven Digoel ingericht – misschien wel onze meest effectief uit het collectieve geheugen gewiste zwarte bladzijde. Het lag in een onherbergzaam gebied in de jungle van Nieuw Guinea. Er hoefde niet eens een hek omheen: wie probeerde te vluchten was sowieso ten dode opgeschreven. Latere leiders als Sjahrir, Hatta en Salim verbleven in Boven Digoel, Salim zelfs vijftien volle jaren. Omdat ze zich in anti-koloniale zin hadden uitgelaten.

De latere Indonesische president Soekarno is nooit in Boven Digoel opgesloten. Hij kreeg wél een proces. Bij een huiszoeking waren opruiende papieren gevonden, geen wapens. In zijn proces, in Bandoeng in het jaar 1930, voerde hij zijn eigen verdediging, in een pleitrede van twee volle dagen, waarin hij het Nederlandse gezag voorhield wat het van de Indonesische nationalisten te verwachten had: geen bommen, geen dynamiet, maar openbare vergaderingen. Soekarno werd niettemin tot vier jaar veroordeeld, wegens opruiing. In zijn pleidooi had hij een curieus verzoek gedaan. Hij had er begrip voor dat Nederland spionnen inzette tegen de nationalistische beweging, maar mochten die misschien van iets betere kwaliteit zijn? Zodat ze niet zulke volstrekt onjuiste rapporten uitbrachten?

Soekarno’s straf werd ingekort tot twee jaar, maar na zijn vrijlating werd hij opnieuw opgepakt en nu, zonder vorm van proces, vijf jaar opgesloten – zo drukte het Nederlandse bewind in de jaren dertig de Indonesische vrijheid van meningsuiting de kop in.

In die andere kolonie, Suriname, ging het niet veel anders. Daar beschouwde het Nederlandse gouvernement de slavenzoon Anton de Kom als staatsgevaarlijk. Hij werd na zijn terugkeer uit Nederland begin 1933 scherp in de gaten gehouden en binnen een maand gearresteerd. Een concrete aanklacht was er niet: Anton de Kom was staatsgevaarlijk. Op een demonstratie, gehouden om zijn vrijlating te bepleiten, opende de koloniale politie het vuur. Er vielen twee doden en dertig gewonden. De Kom koos ervoor het land te verlaten en weer in Nederland te gaan wonen – in plaats van een langdurige gevangenschap zonder proces. In Nederland bleef hij schrijven. Zijn belangrijkste werk werd “Wij Slaven van Suriname”. Tijdens de bezetting schreef hij vanuit zijn woonplaats Den Haag voor het communistische verzetsblad De Vonk. De Sicherheitsdienst pakte hem daarvoor op. Via Vught kwam hij in Sachsenhausen – hij stierf in een buitenkamp van Neuengamme: een dubbel slachtoffer van de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting, eerst door Nederland, toen door nazi-Duitsland.

Na de oorlog herrees Nederland; met hulp van de geallieerden had de democratie gezegevierd over het totalitaire regime van de fascistische vijand. Maar het is moeilijk vol te houden dat ook de vrijheid van meningsuiting direct al een bloeitijd tegemoet ging. Natuurlijk, Nederland was weer vrij, je kon weer zeggen wat je wilde zonder de kans te lopen om te worden opgesloten of erger, maar als het er echt op aankwam, bleken er sterkere krachten dan de uitingsvrijheid. De verzuiling bijvoorbeeld, die kwam in volle hevigheid terug. Het leek er sterk op dat de Nederlander, in de naoorlogse verwarring, maar al te graag teruggreep op de vaste waarden van vroeger, de hechte verbanden van kerk en eigen kring. En daarbinnen stond de discipline centraal, dissidente geluiden werden niet op prijs gesteld.

Aan een zo’n conflict hebben we indirect onze grootste politieke partij van vandaag te danken. In de nieuwe volkspartij PvdA, die kort na de oorlog was opgericht, was ook de Vrijzinnig Democratische Bond opgegaan, met de Rotterdamse burgemeester P.J. Oud in de voorste linie. Maar aan de liberaal Oud was de sociaal-democratische partijdiscipline niet besteed. Toen de partijraad van de PvdA een uitspraak deed die als positief voor de republiek Indonesië kon worden uitgelegd, schreef hij een boze brief naar de partijkrant, Het Vrije Volk. De hoofdredacteur aarzelt over plaatsing, en laat de brief even liggen. Oud pakt de telefoon en belt de hoofdredacteur, Klaas Voskuil, u weet wel de vader van de schrijver van het meeslepende kantoor-epos Het Bureau. Voskuil antwoordt dat hij de beslissing over plaatsing van de brief aan het hoofdbestuur van de PvdA heeft voorgelegd. Het Vrije Volk is een echte partijkrant, en de hoofdredacteur dus een soort zetbaas. Oud ontploft en zegt dat hij de brief dan wel ergens anders laat plaatsen. Waarop Voskuil dat als een dreigement opvat, en meedeelt dat de brief niet zal worden geplaatst. De zaak escaleert, professor Oud schrijft een lange brief en zegt daarin letterlijk: ‘Binnen de pvda is onvoldoende ruimte voor vrije meningsuiting.’

De ruzie ettert nog even door, en dan barst de bom: eind 1947 verlaat Oud de PvdA en werkt hij aan de oprichting van een nieuwe partij, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, die genoeg zetels haalt om direct deel te kunnen uitmaken van het volgende kabinet.

Ander voorbeeld, in een andere hoek van de politiek. De Communistische Partij van Nederland is als enige sterk gekant tegen het sturen van dienstplichtigen naar de oorlog in Indonesië. De eigen krant De Waarheid schrijft voortdurend over het verschijnsel van de dienstweigeraars – het moeten er duizenden zijn geweest. In de andere kranten zul je daar vergeefs naar zoeken. Zelfs een opstand van opgesloten dienstweigeraars in de kazerne van jawel, Schoonhoven – daar zijn we weer – krijgt in geen enkele krant vermelding: de andere partijen houden die deksel graag op de pot. Het meest opmerkelijke voorbeeld is van 21 september 1946. Demonstranten protesteren in Amsterdam tegen het vertrek naar Indonesië van het eerste troepenschip met dienstplichtigen, de Boissevain. Er ontstaan relletjes, de overheid zet de marechaussee in. Er vallen schoten in de Haarlemmerstraat. Een van de demonstranten blijft liggen, hij is dodelijk getroffen. Het is de 41-jarige Petrus Dobbelaar. Zijn naam zal nooit tot ons collectieve geheugen doordringen: behalve De Waarheid maakt geen enkele krant melding van de doodgeschoten demonstrant. Ook een massale protestbijeenkomst in de Apollohal, waar 10.000 mensen op af komen, wordt verzwegen. In de ministerraad komt de discussie aan de orde of de troepenschepen voortaan niet in stilte moeten vertrekken. Nee, dat vinden de ministers geen goed idee. Moet elke krant dan wel worden uitgenodigd, is de vraag, ook De Waarheid? Het kabinet vindt van wel, maar minister-president Beel voegt eraan toe: ‘Wanneer dit blad dan verkeerde dingen schrijft zou het kunnen worden verboden.’

Het kabinet van die dagen heeft nogal wat last van buitenparlementaire oppositie. De communisten vinden dat Nederlad moet ophouden met de strijd in Indië. Maar aan de andere kant heb je de organisaties die vinden dat Nederland daar juist veel harder moet optreden. Belangrijkste club is het Comite Handhaving Rijkseenheid, dat er alles aan wil doen om Indie te behouden, desnoods door middel van een staatsgreep. Kopstuk is de eerder genoemde Gerbrandy, jawel, de man die voor de oorlog de radio-censuur leidde en IN de oorlog zelf minister-president was. Na de oorlog leidde hij dus de buitenparlementaire oppositie. En wat gebeurde er, in het democratische Nederland? Gerbrandy had in augustus 1947 weer een felle radiorede gehouden tegen het kabinetsbeleid. Hij riep de hoogste man in Indie op om zich niets van de regering in Den Haag aan te trekken en de Republiek Indonesia onder de voet te lopen. Twee weken later op 3 september 1947 kwam de strafmaatregel: oud-minister-president Gerbrandy kreeg een spreekverbod voor de radio, twee maanden mocht hij geen toespraken houden. Het was een beslissing van de regeringscommissaris voor het radiowezen, na een klacht van de regering. Een spreekverbod, in ons eigen land!

Dat heeft u op school vast niet geleerd. Ik denk ook niet dat het vandaag in de geschiedenislessen wordt behandeld. Wij zijn altijd heel terughoudend in het behandelen van de zwarte bladzijden uit onze geschiedenis, wij is veel comfortabeler om onszelf te zien als de helden van de tolerantie en de openbaarheid.

Louis Beel is dan minister-president en ook de voorman van de grootste politieke groepering in Nederland, de KVP. De katholieken worstelen in de naoorlogse jaren nog even intensief met de vrijheid van meningsuiting, als in de jaren dertig. De katholieke elite is vooral hoogst bezorgd over alle bedreigingen van de moraal en het zedelijk peil, die uitgaan van literaire werken. Jonge schrijvers als Simon Vestdijk, Gerard Kornelis van het Reve en Willem Frederik Hermans komen er slecht af in de recensies van de katholieke literatuurbeoordelaars van de Stichting IDIL, Informatiedienst Inzake Literatuur. Dat is een in Tilburg gevestigd instituut dat boeken beoordeelde op hun schadelijkheid voor de katholieke ziel. Dat moest wel botsen, en dat deed het ook. Er waren voortdurend heftige discussies geweest over de opvattingen en de oordelen van de recensenten.

Een illustratief incident deed zich voor in Sittard, in december 1951. De gemeentepolitie van die stad was geabonneerd op de IDIL-tijdingen, een blaadje dat de recensies bevatte van nieuwe literaire werken. Toen de nieuwe IDIL-tijdingen was binnengekomen las een inspecteur van politie daarin dat de nieuwe roman van Simon Vestdijk, De dokter en het lichte meisje, het predikaat “streng voorbehouden” had gekregen. Dat betekende destijds volgens de richtlijnen van IDIL dat zo’n boek slechts “bij uitzondering, om gegronde redenen, door welgevormde lezers” zou mogen worden gelezen. Dat gold natuurlijk alleen voor katholieken. Maar de politie-inspecteur vond het een goede reden om een brigadier naar het pand van de Algemene Spoorwegboekhandel te Sittard te sturen om daar te bezien of Vestdijks werk er te koop was en dus de openbare zeden in gevaar zou brengen.

Vanaf dat moment lopen de lezingen uiteen. In de krant stond dat de brigadier het boek uit de etalage had laten halen. Daarop stelde het PvdA-Kamerlid Nederhorst Kamervragen aan de minister van binnenlandse zaken, Louis Beel – alweer hij. Daaruit bleek dat de desbetreffende brigadier opdracht had om tijdens de maandelijkse controle van de boekhandels in de gemeente de winkeliers te wijzen op Vestdijks nieuwe roman. Zij moesten ervoor zorgen dat het boek niet in handen van jongeren zou komen.

Beel gaf toe dat de politie hiermee buiten haar boekje was gegaan. De politie mag alleen controleren, zo antwoordde hij aan de Kamer, en dan rapporteren aan justitie of de burgemeester. Beel gaf ook nog een inkijkje in de opsporingsmethoden: hij zei dat er naast de IDIL-brochure een publikatie bestond van de afdeling Criminele Voorlichting van het Ministerie van Justitie, de zogeheten “Lijst van geschriften welke als aanstootgevend voor de eerbaarheid zijn te beschouwen”. De politie van Sittard had die twee kennelijk verward, en de brigadier was met de IDIL-recensie op pad gegaan. Beel sprak in de Kamer van al te grote ijver van de brigadier. Deze had zijn fout ingezien en beloofd zich voortaan stipt aan de regels te zullen houden.

De kwestie-Sittard dooft spoedig uit, achtergrondstukken zijn er niet over geschreven, ook de eigenaar van de Algemene Spoorwegboekhandel te Sittard is er niet over geïnterviewd – je staat er versteld van hoe weinig informatief de kranten destijds waren over zo’n veelzeggend incident. En er was natuurlijk ook nog geen televisie, laat staan talkshows.

Het zou tot 1956 duren eer de Nederlandse televisie een vaste nieuwsuitzending zou krijgen. Op 5 januari van dat jaar ging het NTS-Journaal van start. Was er sprake van overheidscensuur? Het antwoord is nee. Was er sprake van andersoortige censuur? Het antwoord is ja. Het ging op de Nederlandse manier: het NTS-journaal stond onder controle van de zuilen, van de bestaande omroepen. De verantwoordelijkheid voor uitzending lag niet bij de hoofdredacteur, maar bij de zogeheten Journaalcommissie – een gezelschap vertegenwoordigers van de radio-omroepen, die inmiddels ook de televisie erbij deden. Die commissie vergaderde elke week om de inhoud van de uitzendingen te bespreken. Dat waren er in het begin maar drie per week, want er was maar drie avonden per week televisie. Mede door de populariteit van de nieuwsuitzendingen steeg dat aantal snel. De andere activiteit van de commissie was dat er elke dag een commissielid belast was met het toezicht op de uitzending. Het journaal bestond toen nog uit één lange filmrol van ongeveer een kwartier. Die moest om half acht klaar zijn, zodat de omroepvertegenwoordiger er op zijn gemak naar kon kijken. Het enige wapenfeit van die censor is, voorzover ik heb kunnen vinden, dat uit de allereerste leader van de allereerste uitzending een danseresje in tutu is verwijderd, omdat dat beeld volgens de vertegenwoordiger van de NCRV aanstoot zou kunnen geven. Verder is er nog één opmerkelijk incident bekend. Het doet denken aan die avond van de 29e januari van vorig jaar, toen het achtuurjournaal niet werd uitgezonden. Een mededeling in beeld sprak toen van “wegens omstandigheden” – wat veel verwarring veroorzaakte.

Op 10 mei 1956 verscheen een omroepster in beeld met een vergelijkbare mededeling: wegens bijzondere omstandigheden zal het journaal niet worden vertoond. Daarna ging het scherm op wit, niet op zwart, maar op wit.

Pas veel later werd duidelijk waarom: de journaalfilm moest op half acht worden gekeurd door een vertegenwoordiger van ditmaal de VARA, en was niet op tijd klaar. De censor van dienst belde naar zijn baas, K.J. Rengelink, die trouwens ook de baas van de NTS was, en deze nam het besluit dat het journaal dan maar niet moest worden uitgezonden. Hoofdredacteur Enkelaar ontplofte toen hij het hoorde, het enige dat hij bereikte was dat het journaal ’s avonds na het VARA-programma alsnog werd vertoond. Zonder uitleg over de reden, overigens.

Het NTS-Journaal, en later het NOS-Journaal heeft zich pas diep in de jaren zeventig aan de druk en de greep van de omroepzuilen kunnen ontworstelen. De censor die de film moest beoordelen is wel vrij snel verdwenen, maar de omroepen hebben steeds met min of meer subtiele middelen invloed uitgeoefend. Het sterkst was wel de poging van KRO-bestuurder Harry van Doorn, die later nog minister van CRM was, om het journaal te verplichten nooit langere onderwerpen te maken dan één minuut, zodat nadere achtergronden en toelichtingen op nieuwsgebeurtenissen geheel voorbehouden zouden blijven aan de omroepen.

Een tamelijk diepgaand onderzoek naar de geschiedenis van het Journaal, van tien jaar geleden, heeft eigenlijk geen voorbeelden van staatscensuur of direct overheidsingrijpen aangetoond. De pogingen tot beinvloeding zijn in het moderne televisietijdperk natuurlijk bijzonder talrijk, maar die behoren al heel lang tot het spel.

Nee, dan de jaren vijftig.

De Greet Hofmans-affaire heeft decennialang doorgewerkt in de Nederlandse journalistiek. De geslaagde poging van minister-president Drees om de hoofdredacteuren te bewegen niet of uiterst terughoudend te berichten over de huwelijkscrisis aan het hof bezorgde de journalistiek een trauma. Een oudere, wijze collega fluisterde mij ooit toe: “Nooit over het koningshuis schrijven, jongen, nooit doen, daar komt alleen maar ellende van.” Het kabinet hield destijds de complete oplage van het Duitse weekblad Der Spiegel bij de grens tegen, om te voorkomen dat ons volk uit dat blad zou vernemen hoe de Soester en Baarnse vleugel van paleis Soestdijk met elkaar overhoop lagen. Het heeft tientallen jaren geduurd voor we uit de geschriften van de hoogleraren Fasseur en Daalder de details mochten vernemen van de twisten en de fratsen in de boezem van de monarchie – eerder kon niet. De Nederlandse samenleving zat totaal op slot, het zuilensysteem beschikte over allerlei mechanismen om informatie tegen te houden, dan wel zodanig te filteren dat rust en orde konden worden gehandhaafd, dat de veiligheid van de gevestigde belangen niet in gevaar kwam en dat er in het publieke domein geen eerbaarheden geschonden of zinnen geprikkeld konden worden.

De jaren zestig hebben alles veranderd. Eenvoudig ging die ommekeer niet. Als het VARA-tv-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer vanaf 1963 satire bedrijft op een manier die we nu mild zouden noemen, maar die destijds revolutionair werd geacht, is het land te klein. De discussies zijn heftig, de emoties lopen hoog op, er vallen dreigende woorden. Na zeven uitzendingen met heel lange tussenposen houdt het programma op te bestaan, de redactie weigert te accepteren dat de VARA-leiding een onderwerp schrapt. Terwijl het programma nog bestaat verschijnt er een boekje over de manier waarop het Nederlandse volk op deze prikkelende televisie-uitzendingen reageert. Daarin schrijft mede-samensteller Han Lammers, dan nog journalist, later bestuurder, dat hij getroffen is door de “virulente en rancuneuze ergernis die het programma in Nederland opwekt”. En dan voegt hij er een opmerkelijke constatering aan toe: zowel in het parlement als in ingezonden brieven in de kranten hadden tal van Nederlanders gevraagd om overheidsingrijpen. Letterlijk schrijft Lammers: “Men bad eenvoudigweg om breidel.” Mooie zin, om over na te denken. Bidden om breidel. Hij voegde eraan toe: “Wat in andere contreien met geweld moet worden opgelegd, daar wordt hier van onderaf om gesmeekt.”

Er is geen twijfel aan dat de jaren zestig op het punt van de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijke journalistiek een grote ommekeer teweeg hebben gebracht. De manier waarop KRO Brandpunt in 1966 kritisch berichtte over de politiek van de eigen zuil, hoe de KVP-fractie in de Nacht van Schmelzer de eigen premier Jo Cals ten val bracht, was een van de eerste tekenen. Daarna volgde de Volkskrant, die zich van zijn ketenen bevrijdde en niet meer aan de leiband van de KVP wilde lopen. De tijd dat de fractievoorzitter van die partij ook hoofdredacteur van de krant was, zou niet meer terugkomen. En ook bij andere media werden oude banden gekapt. De journalistiek ontdekte de vrijheid en sloeg aan het onthullen. Met vallen en opstaan weliswaar, met schade en schande, maar de ontwikkeling liet zich niet tegenhouden. De prestaties van Watergate-reporters Woodward en Bernstein, die zelfs de president van Amerika ten val brachten door volhardend en slim speurwerk, inspireerden de nieuwe generatie journalisten. Ik werd zelf in 1976 door de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad waar ik werkte meegesleept naar de bioscoop: we moesten met de hele redactie naar All the presidents Men kijken, de film waarin je de onderzoeksjournalisten aan het werk kon zien. Vanaf dat moment was er geen gemeentesecretaris of raadscommissielid meer veilig voor ons: we zouden hen achtervolgen tot we precies wisten wat ze deden, met wie en wat ze ervoor kregen.

We zijn inmiddels veertig jaar verder, en er zijn volop bedreigingen voor onafhankelijke nieuwsvoorziening bijgekomen. Economische ontwikkelingen werden tal van kranten fataal. De komst van internet, met zijn vele zegeningen voor de informatiemaatschappij, deed  advertentiemarkten instorten, en verstoorde daarmee de bestaande journalistieke verdienmodellen. Er zijn gemeenten waar geen gekwalificeerde journalist meer beschikbaar is om het bestuur te controleren – soms huurt de gemeente zelf een journalist in.

Veel gemeenten kopen ruimte in een plaatselijk advertentieblad, en laten die volschrijven door de afdeling communicatie. Ik zou dat in sommige gevallen ongebreidelde overheidspropaganda willen noemen, die alleen maar lijkt toe te nemen naarmate de onafhankelijke regionale journalistiek afneemt.

We zijn er, wat die vrijheid van meninguiting en die onafhankelijke journalistiek betreft, onmiskenbaar op vooruit gegaan. Maar we zijn er nog lang niet. Er is een crisis in de onafhankelijke journalistiek in de regio, er is alle reden voor ongerustheid over de noodverordening in Luttelgeest en vergelijkbare maatregelen. En wie een beetje gevolgd heeft hoe het ministerie van Veiligheid en Justitie de informatieplicht van de overheid interpreteert, zal het met me eens zijn: als het gaat om het open en eerlijk informeren van de volksvertegenwoordiging en dus van het volk, komen heel wat bestuurders en topambtenaren in aanmerking voor een spartaanse vorm van heropvoeding.

Oftewel: vrijheid van meningsuiting heeft onderhoud nodig, en permanente zorg. En vooral strijdlust, en ook: rolmodellen. Mensen die voorop gaan in de strijd voor dat mensenrecht. Vorige week werd Nieuwsuur-journalist Bas Haan onderscheiden als journalist van het jaar: hij toonde de leugens en het bedrog van de top van het ministerie van Veiligheid en Justitie aan, en verrichtte met zijn onthullingen over de zogeheten Teeven-deal een journalistieke en democratische heldendaad. Ik was aanwezig bij de uitreiking van die prijs, in Hilversum. Bas Haan hield een dankwoordje. Daarin zei hij iets bijzonders. In de laatste fase was een klokkenluider bij hem gekomen, met mails waaruit bleek dat de top van het ministerie aan sommige ambtenaren had opgedragen het zoeken naar dat beroemde bonnetje te staken. Dat is op zich al heel erg natuurlijk, echt heel erg. Maar Bas Haan zei dit er nog bij: die klokkenluider vertrouwde hem, vertrouwde het programma Nieuwsuur – daar zouden ze hem de vereiste bescherming geven. Die klokkenluider had geen vertrouwen meer in het ministerie van Veiligheid en Justitie. Maar erger nog, hij had OOK geen vertrouwen in de onafhankelijke onderzoekscommissie die de hele zaak moest uitzoeken, de commissie-Oosting. Zover is het in Nederland dus al gekomen: er is meer vertrouwen in een bepaalde journalist, dan in een onafhankelijke onderzoekscommissie. Dat is toch wel iets om heel erg bezorgd over te worden. Ik raakte er vorige week een beetje door van slag: als onze bestuurders zo bezig zijn met hun eigen positie en hun eigen imago, als de politiek-bestuurlijke cultuur zon verpest is, dat niemand meer vertrouwen in hun integriteit heeft, dan is het met ons land erger gesteld dan ik voor mogelijk hield.

Ik wil Bas Haan hier niet tot held uitroepen, maar het is toch wel van belang dat dit soort mensen volhouden en vasthoudend blijven zoeken naar de waarheid achter de beeldvormimg.

Maar goed, los van de hitte van de actualiteit: als het om de strijd voor vrije meningsvorming gaat, is het ware rolmodel voor mij toch Dirk van der Voort uit Velp, de man die in april 1944 met vijf vrienden op de fiets naar Schoonhoven reed om daar de achterpagina van de Schoonhovensche Courant van vaderlandslievende en de verzetsgeest bevorderende teksten te voorzien. Met gevaar voor eigen leven.

Ik speelde met de gedachte om hier op te roepen om een straat naar hem te noemen, of zoiets. En wat blijkt, puur toevallig? Vorig jaar maart heeft de gemeenteraad van Rheden, waar Velp tegenwoordig onder valt, het besluit genomen een veldje nabij de Willem van Kleefstraat in Velp het Dirk van der Voortplein te noemen. Omdat hij in de oorlog distributiekantoren overviel, en soms ook joodse onderduikers opnam in zijn woning aan de Beltjeshofstraat.

Dat hij de Schoonhovensche Courant overviel ter bevordering van de vrijheid van meningsuiting, was bij het gemeentebestuur kennelijk niet bekend. Dat doet er niet toe, hij heeft nu zijn plein. En wat mij betreft wordt hij vanaf nu ook het officiële boegbeeld van de Nederlandse strijd voor de vrijheid van meningsuiting. Dirk van der Voort, hij is mijn held. Je suis Dirk!

Ik dank u zeer voor uw aandacht.

 

Klik op onderstaande foto om naar het fotoalbum te gaan.